COLUMNS VOOR OPLEIDERS

Deskunde1989 -1992
VERMOMDE
VRIENDEN
De dichter René
Kres is van vele markten thuis. Hij richtte destijds de spraakmakende woongemeenschap
Impuls in Pieterburen op, prachtig beschreven door Tessa de Loo in de roman Meander.
Vervolgens was hij clown in Italië. En nu schrijft en speelt hij in Amsterdam
toneelstukken voor kinderen en volwassen.
Tussendoor dicht
hij. Sommige gedichten zijn niet meer dan een spreuk. Een van die spreuken is de
bijna-stelling: "Een vijand is een vriend, vermomd als vijand".
Als ik interne
opleiders over "externen" hoor spreken, moet ik wel eens aan René denken.
Externen worden vaak als concurrent gezien die met ontrouwe, interne klanten zaken doen
zonder dat de opleidingsfunctionaris daar weet van heeft. Klanten gaan vreemd, externen
zijn de verleiders en opleiders staan buiten spel.
Hiërarchisch is
aan deze gang van zaken steeds minder te doen. De bazen van de opleidingsfunctionarissen
worden steeds minder machtig. De bureaucratie verliest terrein. Divisies en de
business-units worden steeds autonomer. Een verloren wedstrijd? Zijn
opleidingsfunctionarissen in een eigentijds gedecentraliseerd bedrijf overbodig?
Ik denk van
niet. Opleiders die actief relaties met bureaus onderhouden en uitbouwen, die regelmatig
oude relaties opfrissen of soms zelfs door nieuwe vervangen, zijn welkome adviseurs voor
managers. Voor externen zijn dit soort opleiders eveneens interessante partners. Externen
gaan graag om met mensen die intern een goede pers hebben. Zij hebben er belang bij dat u
scoort. Het is een spel zonder verliezers.
Zwakke spelers
hebben veel vijanden. Sterke hebben veel vrienden. Al zijn ze soms als vijand vermomd.
REMPLANNEN EN
ACTIEPLANNEN
Een plan wordt
in de onderneming gewoonlijk gezien als een middel om iets in beweging te zetten. Er is
sprake van stilstand of achteruitgang en als er nu maar een goed plan gemaakt wordt, leidt
dat vanzelf tot actie. Na een zorgvuldige afweging van alternatieven wordt planmatig een
actieroute uitgezet.
Enige
achterdocht is bij de roep om plannen soms op zijn plaats.
Over veel
belangrijke investeringen of acquisities wordt vaak snel beslist zonder enig plan. En veel
van deze beslissingen zijn beslist niet slecht. Een manager weet dat hij zonder plannen
goed kan leven. Als een manager écht iets wil doet hij het gewoon. Anders was hij wel een
staffunctionaris geworden.
"Daar moet
maar eens een goed plan voor komen" uit de mond van een manager is dus eigenlijk
verdacht. We moeten er ook rekening mee houden dat hij het niet echt wil of tenminste nu
nog niet.
Als een manager
bijvoorbeeld vindt dat er te veel verandert vraagt hij óók om een plan. Het plan heeft
dan duidelijk de functie van rem. Het dient om de dingen meer te beheersen, te beknotten
of naar zijn hand te zetten. Of om tegen de OR te kunnen zeggen dat opleidingen een hoge
prioriteit heeft: er wordt immers een plan gemaakt.
Veel opleiders
zijn vandaag de dag blij met de extra aandacht voor opleidingen. Er is een grote vraag
naar opleidingsplannen. Opleiders voldoen graag aan die vraag.
Wees echter op
uw hoede. Er kan een remplan tussen zitten.
IK KOM ER AAN
MENEER!
Als een ober
zegt dat hij eraan komt, loopt hij meestal van je af.
Hij komt
helemaal niet. Hij gaat!
Sommige managers
spreken op een vergelijkbare manier over opleiden. "We doen veel aan opleidingen" betekent bij
hen: "Zij doen veel aan opleidingen".
En met "Zij" worden dan zij van Opleidingen en Personeelszaken bedoeld. Deze
managers hebben belangrijker dingen te doen dan zich met mensen bezig te houden. Opleiding
wordt vaak niet gedelegeerd, maar "overgelaten aan" de opleiders. Soms in de
trant van: "Hier heb je een budget en doe er wat mee". Naar de OR, de bonden en
nieuwe medewerkers kan dan gewezen worden op de aanzienlijke bedragen die aan opleidingen
worden besteed. Opleiding als alibi. Als compensatie voor pijnlijke maatregelen elders in
het bedrijf. Opleiding wordt regelmatig als wisselgeld of afkoopsom gebruikt.
Vakbonden en
ondernemingsraden doen overigens vaak mee met deze vormen van budgettair opleiden.
Getallen over bestede dagen spreken hen soms meer aan dan de inhoud en het nut van sommige
opleidingen.
Tenslotte moet
je vaststellen dat opleiders zelf ook maar al te graag met cijfers en overzichten
goochelen. Een enkele ervaren opleider verwordt zelfs tot bureaucraat.
Ambitieuze
opleiders zie je niettemin proberen om het management en de OR werkelijk bij opleidingen
te betrekken. Soms nog met succes ook.
TOREN OF EILAND?
Opleiders die
dichter bij hun klanten willen gaan staan komen soms tot de ontdekking dat daar al een
personeelsconsulent staat. Opleiders die nauwere banden met de directie willen aanhalen
merken wel eens dat het Hoofd Personeelszaken daar al staat. En niet zo maar
"staat", maar er zelfs op stáát om daar te staan. Een aantal opleiders heeft
daaruit de les getrokken dat persoonlijke contacten met de top en het middelmanagement
niet goed mogelijk zijn. Personeelszaken zou dat niet tolereren. En aangezien ze zelf
meestal deel uitmaken van datzelfde Personeelszaken leggen ze zich bij dat feit neer. Ze
kennen hun plaats. De positie van Personeelszaken is te sterk. Dicht bij de klant en boven
de opleider.
Sommige
opleiders hebben er echter geen vrede mee dat aan hen zo'n bescheiden, volgende en
overwegend administratieve functie is overgelaten. Ze verzetten zich. Ze proberen -om de
personeelsconsulenten heen- wegen te vinden naar chefs, afdelingshoofden en directies.
Daarmee lokken ze dan territoriumgedrag uit bij personeelsmensen die toch al sterk zijn in
het afbakenen van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Veel opleiders zijn zo op een
eiland geëindigd. Om het leed verbaal wat te verzachten wordt zo'n eiland vaak "een
ivoren toren" genoemd.
Een andere route
is de personeelsafdeling als cliënt te zien. Een cliënt die goede kanalen heeft naar de
eindconsumenten in de onderneming: het middenkader en de directie. Een personeelsconsulent
die veel zinvolle opleidingsactiviteiten in zijn werk stopt scoort daarmee. Help hem
daarbij. Laat hem scoren. Hoe meer succes hij met opleidingen heeft, hoe sterker de
positie van opleidingen binnen Personeelszaken.
Wie niet op een
eiland wil zitten kan Personeelszaken beter als zijn belangrijkste klant zien in plaats
van als zijn belangrijkste concurrent.
OPLEIDERS ALS
SCHROEVENDRAAIERS
"Fijn dat
je er bent de Vries. Ik heb een leuke vraag voor je. Niet makkelijk, maar ik denk dat jij
er wel mee uit de voeten kunt. We zijn veel te duur zoals je weet. In de loop der jaren is
er heel wat vet onze organisatie binnengesmokkeld. Als de prijzen nog eens zo zakken als
in '92 maken we verlies. Het lijkt nu nog wel goed te gaan, maar er hoeft niet dàt te
gebeuren en we gaan nat. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben. Daar moet wat aan
gebeuren. Ik vind dat de mensen veel kostenbewuster gemaakt moeten worden. En nou had ik
gedacht dat het goed zou zijn als er een project zou worden opgezet met aan het begin een
cursus met een aantal steengoede inleiders zodat de mensen er van doordrongen worden dat
het zo niet langer kan. Ik had gedacht dat jij zo'n cursus wel zou kunnen opzetten. "
Mogelijk herkent
u iets in deze dialoog. Ik hoor er een beeld in van de opleider als een schroevendraaier
in handen van een manager. Hoe te handelen in zo'n situatie? De meeste opleiders willen
graag dat er gebruik van hen gemaakt wordt, maar niet dat ze gebruikt worden.
Klantgerichtheid heeft zijn grenzen.
In principe zijn
er twee strategieën: die van harde en zachte wieren. Beide wieren doorstaan de branding.
De harde wier strategie voert tot een weigering op het eervolle aanbod. De opleider doet
er niet aan mee. Het is een "nee-daar-beginnen-we-niet-aan"-route. De zachte
wier strategie daarentegen leidt tot een "dat-doen-we; en-dan..."- aanpak:
"Een goed idee zo'n cursus. En het lijkt me het beste dat u het verhaal over de
noodzaak van kostenbewustzijn dan zelf brengt".
Ik heb veel
bewondering voor harde wieren, maar ik vind zachte mooier.
ONVERANTWOORDE
BESCHEIDENHEID
"Ik kan me
tegenwoordig veroorloven bescheiden te zijn", antwoordde de pianist Ivo Pogerelich op
de vraag of het waar was dat hij nu minder branie had dan vroeger. Blijkbaar zijn mensen
enerzijds in te delen in "bescheiden" en "onbescheiden" en anderzijds
in personen die zich dat wel, of die zich dat niet kunnen veroorloven. Ivo Pogerelich, Boris
Becker en Jan Timman, behoren tot de groep bescheiden mensen, die zich de luxe van
bescheidenheid kunnen permitteren. Hun positie lijkt wel verzekerd. Pierre Vinken en Bobby
Fischer zijn misschien voorbeelden van onbescheiden mensen, maar die zich dat wel kunnen veroorloven. Rob Out en Joep van den
Nieuwenhuizen komen wellicht in aanmerking voor de categorie van minder bescheiden
personen, die zich dat niet kunnen veroorloven.
Opleiders zijn
vaak ook bescheiden, maar niet alle opleiders kunnen zich dat veroorloven. Ik moest
daaraan denken toen ik het artikel van Gomar van Dee en Eva Hijmans las in Deskunde van
september. Daarin werden opleiders vergeleken met organisatieadviseurs.
Organisatieadviseurs -en zeker de externe- missen vaak de bescheidenheid die opleiders -
en zeker de interne- zo siert. Maar met hun onbescheidenheid bereiken de
organisatieadviseurs vaak meer in de onderneming dan de opleiders. Hun verankering met het
management is vaak effectiever, de condities die ze stellen krachtiger en hun beloning
beter.
Zouden opleiders
hun bescheidenheid meer voor thuis en in het weekend moeten reserveren? Zover zou ik niet
willen gaan. Maar ik zou wel de stelling willen verdedigen dat opleiders onbescheiden
moeten kunnen zijn. Ik zie het als een
noodzakelijk register in je gedragsrepertoire, dat op vitale momenten -soms- ingezet moet
kunnen worden. In het belang van de opleidingen waar je voor staat.
Je kunt dan de
rest van de week gewoon bescheiden blijven.
DE 20-225 REGEL
Er bestaat een
volkswijsheid voor managers die zegt dat bij 20% van de klanten 80% van de omzet behaald
wordt. Deze wijsheid staat bekend als de 80-20-regel. Sommige managers menen de
80-20-regel overal te zien. Ze beweren zelfs dat 20% van hun klanten en producten voor 80%
van hun winst zorgen
Jan van de Poel
-hoogleraar accountancy in Maastricht- heeft het bestaan van de 80-20-regel eens
onderzocht en kwam tot de conclusie dat de regel verassend vaak opging. Bovendien bleek
echter dat als de 80-20-regel niet van kracht was, de zogeheten 20-225-regel vaak gold.
De 20-225-regel
zegt dat ik bij 20% van mijn producten of klanten 225% van mijn winst behaal. Bij de
overige 80% gooi ik het bereikte resultaat dus met bakken tegelijk weer weg. De meeste
klanten of producten blijken verlieslatend en op een paar klanten of artikelen wordt
buitensporig veel verdiend.
Ik ken een
opleider waar de 20-225-regel ook voor opgaat. Met 20% van wat ze doet, realiseert ze 225%
van haar imago. De overige 80% van haar werk zorgt er echter voor dat ze toch maar gewoon
voor 100% gewaardeerd wordt. Ze doet te veel bij de verkeerde klanten. En voor een groot
deel omdat ze bang is dat anders een ander het gaat doen. Ze wil vooral houden wat ze
heeft. En duld niemand op haar terrein. Territoriumvrees. De slechtste raadgever bij
strategische manoeuvres.
Staat uw imago
onder druk? Hou dan gewoon met een aantal dingen op. Doe een paar klanten weg. Stop een
aantal trainingen. Doe wat u overhoudt vele malen beter. De kans is groot dat uw ster weer
zal rijzen.
Uw klanten,
concurrenten en huisgenoten zijn er blij mee.
ENGELSE
SCHERPSCHUTTERS
Er zijn mensen
die voor hun lol schieten. Scherpschutters. Op schietschijven. Op hun vrije zaterdag of
donderdagavond. Bij de Olympische spelen hebben ze er zelfs een aantal aparte nummers
voor. Met medailles en al.
Scherpschutters
hebben ook hun eigen grapjes.
Een ervan is die
van de Engelse scherpschutter.
Een Nederlandse
hobbyscherpschutter was eens op wandelvakantie in Engeland. Hij wandelde heel ontspannen
langs heuvels en langs dalen tot hij op een beuk een schietschijf geschilderd zag. Hij
liep er op af en zag één inslag, precies in de roos. Dat nu is zeer ongebruikelijk. Je
treft wel eens de roos, maar dan zitten er ook altijd een paar inslagen verder op de
schijf. En soms zelfs daarbuiten. Knap werk, dacht de Nederlandse scherpschutter. En hij
wandelde verder naar het vlakbij gelegen dorpje. Daar zag hij tot zijn verbazing een
schutting met ook daarop een schietschijf met één inslag, exact in de roos.
Onvoorstelbaar.
Onze
scherpschutter ging het plaatselijke café binnen en informeerde bij de waard wie die
scherpschutter in het dorp wel niet was. De waard begon te lachen. Nee, zei hij, dat is
niet de scherpschutter, maar de schilder van ons dorp. Hij schiet eerst, en dan pas
schildert hij er een roos omheen!
Veel
opleidingsplannen lijken op werk van Engelse scherpschutters. Men neemt het opleidingsplan
van vorig jaar. Dat wordt het plan voor dit jaar. Dan schildert men er vervolgens een hoop
woorden omheen, die moeten suggereren dat het plan werkelijk een schot in de roos is.
Gelukkig maar
dat uw plannen heel anders tot stand komen.
Bij opleiders
wordt de laatste tijd weer een toenemend aantal gevallen van klantgezwichtheid
geconstateerd. Zoals u weet is klantgezwichtheid is een slaafse vorm van klantgerichtheid.
Het komt veel voor bij ex-onderdrukkers van klanten. Mensen die jarenlang hun klant
geknecht en gekneveld hebben, slaan vaak in het tegendeel om, als ze eenmaal tot
klantgerichtheid zijn bekeerd. Ze laten zich onderdrukken door de klant. In bank- en
verzekeringskringen komt het verschijnsel veel voor.
Het
belangrijkste symptoom van klantgezwichtheid is, dat ieder die zich als klant meldt, op
zijn wenken wordt bediend. Bij klantgezwichte opleiders is de klant koning en de opleider
vooral vreselijk druk. Zij heeft nergens meer tijd voor, behalve voor haar klanten.
Voor zware
gevallen van klantgezwichtheid is geen goede raad te geven.
Lichte gevallen
adviseer ik aan eens stil te staan bij de volgende vragen:
-
ben ik mijn klant voldoende de baas?
-
moet ik mijn klant zelf helpen of doorverwijzen?
-
zou ik me niet drukker moeten maken om klanten die zich niet bij mij melden?
-
is mijn eigen baas niet een vergeten klant?
-
doe ik zelf nog voldoende aan eigen vak- en relatieontwikkeling?
-
besteed ik genoeg tijd aan mijn collega's?
-
ben ik niet te geïsoleerd bezig?
-
ben ik niet eens aan een volgende baan toe?
Allemaal vragen
die je je beter eerst zelf kunt stellen, voordat anderen dat aan jou doen.
SLECHTE TIJDEN,
GOEDE TIJDEN?
Organisatieadviesbureaus
maken momenteel barre tijden door. Als het met de bedrijven slecht gaat is het beslist
niet zo dat dan voor adviseurs gouden tijden aanbreken. De meeste adviseurs zijn
mooi-weer-adviseurs. Bovendien adviseren de meeste adviseurs niet. Het merendeel werkt als
tijdelijke extra werkkracht bij overheid en ondernemingen. En op uitzendkrachten kunnen
organisaties in moeilijkheden nu eenmaal het snelst bezuinigen.
Voor de
opleidingsafdelingen van adviesbureaus geldt het omgekeerde. Opleidingsactiviteiten zijn
relatief goedkoop en worden -ook in slechte tijden- als strategisch nuttig gezien. Veel
opleidingsafdelingen zijn nu de best draaiende onderdelen van adviesbureaus. Binnen
adviesbureaus wordt momenteel dan ook heel anders naar opleidingen gekeken dan vroeger.
Gebruikelijk namen de opleiders binnen de gemengde bureaus een lage plaats in de pikorde
in. Hun werk had een lage status ten opzichte van het "échte advieswerk". Nu
blijkt de werkelijke waarde van opleidingen. De klantenrelaties zijn stabieler, de omzet
is nooit spectaculair, maar wel blijvend en je leert zeker zoveel van je klant als
andersom.
Als
adviesbureaus zelf ook lerende organisaties zijn, zouden ze hier dan iets van kunnen
leren? Ik sluit het niet bij voorbaat uit, maar ik ben er niet gerust op. Ik vrees dat met
de terugkomst van goede tijden opleidingsactiviteiten
weer op hun bescheiden plaats in het bureau terug zullen worden gezet.
Zijn voor
opleiders in adviesbureaus goede tijden slechte tijden?
Voor mij ligt de
inhoudsopgave van het boek: Van Leerling tot Smidsgezel. Geschreven in 1950 door Fr. Deys
en uitgegeven door de technische uitgeverij H. Stam (Haarlem, Antwerpen, Djakarta).
Hoofdstuk I
behandelt vier hoofdzaken: de smidse, het onderhouden van het smidsvuur, de temperatuur en
natuurlijk: het aambeeld.
Hoofdstuk II
gaat dan verder in op 24 basistechnieken: rond en vierkant smeden, het esje, de kram, de
spiegelduim, de pijphouvast, de spekhaak, de gezweide haakse hoek, kettingschalmen en
veerkrammen.
Hoofdstuk III
tenslotte staat stil bij 14 werkstukken voor gevorderden: de disselbout, de tuinschrepel,
een haarspit met opgelaste kruin, en als laatste: het suikerbietenspaadje.
Dit boek gaat
nog over een vak.
Een van de
problemen met opleiden vandaag de dag is wellicht, dat we niet meer opleiden vóór, en
niet meer vanuit een vak.
Maar is het niet
tegelijkertijd een zege? Deys bijvoorbeeld, schreef zijn handboek in een tijd dat het
werkelijke vuursmeden werd verdrongen door constructie met toepassing van elektrisch en
autogeen lassen.
Als een ambacht
een zodanig vak wordt, dat het kan worden beschreven, wordt het dan verdrongen?
STENEN SJOUWEN
OP EZELSBRUGGEN
Aangezien bij de
marine-bureaudienst, en speciaal bij de opleidingen voor korporaal-schrijver benevens voor
het dienstvak van schrijver, behoefte bestond aan een handleiding voor deze dienst, waarin
de betrekkelijke voorschriften nader werden verklaard, is in 1950 getracht daarin te
voorzien door het Handboek voor het Dienstvak Schrijver. Hoewel wijzigingen steeds zouden
blijven bestaan, werd er toch zoveel mogelijk naar gestreefd in deze handleiding de
hoofdprincipes vast te leggen. Wijzigingen zouden dan ook weinig invloed op de kern van de
behandelde stof hebben. Een afzonderlijk "Schema- en modellenboek" en
"Vragen en antwoordenboek" werden bijgevoegd, hetgeen een aanmerkelijke
vergemakkelijking bij de bestudering van de stof zou blijken. Voor eventuele aan- en
opmerkingen hield de samensteller, Ltz Vk III M. Legrand zich aanbevolen.
Het is inderdaad
verbazend om de eeuwigheidswaarde van sommige principes te zien. Vraag 3 bijvoorbeeld is
nog steeds actueel: "Welke soorten van voorschriften geeft de wetgevende macht
uit?" (Antwoord: "Wetten.") Alleen de 10 hoofdgroepen waarin de agenda is
verdeeld verdienen een ander ezelsbruggetje. De hoofdgroepen waren: Betaling,
Geneeskundige dienst, Justitiële zaken, Materiële zaken, Oefeningen, Personele zaken,
Reglementen en orders, Scheepsbewegingen en Schulden. Legrand kwam op: "Bij De Gehate
Jappen Moest Ook Puppus Regelmatig Stenen Sjouwen."
Ik neem aan dat de opvolgers van Legrand blij zullen zijn met suggesties voor nieuwe ezelsbruggen van collega-opleiders.
LINKSBOVENS EN
RECHTSONDERS
Als opleider
worstel ik vaak met de vraag hoeveel kennis wijs is. Ik bedoel dan: welke nuttige kennis
over het eigen bedrijf maakt mensen gelukkiger?
Een voorbeeld
van dubieuze kennis is de "wetenschap" dat de troetelkinderen in het bedrijf
links boven in het organisatieschema staan en de stiefkinderen rechts onder.
Een divisie,
werkmaatschappij of afdeling die in de loop van de jaren in het organigram naar links,
naar boven of in beide richtingen oprukt, gaat binnen het bedrijf een goede toekomst
tegemoet. Een linksboven krijgt met een slecht plan toch geld en een rechtsonder met een
goed plan niks. Een rechtsonder doet er goed aan zelf alvast voorzichtig uit te zien naar
potentiële nieuwe concernmoeders voordat de Raad van Bestuur op het verkeerde moment op
dat zelfde idee komt.
Wat heb je nou
aan deze nuttige wetenschap? Linksbovens worden er lui en verwaand van. Rechtsonders raken
gedemotiveerd of in paniek. Raden van bestuur en directies roepen dat het helemaal niet
waar is. Wat niet waar is. Waardoor rechtsonders nog verder gedemotiveerd raken.
Nee, ik denk dat
we dit soort wetenschap maar voor ons moeten houden.
P.S. Nu we het
er toch even over gehad hebben als opleiders onder elkaar: waar staat uw eigen
opleidingsafdeling eigenlijk? Toch niet onder in een Sector Sociale Zaken die rechts in
het schema staat? En uw beste vaste klanten zijn toch wel overwegend linksbovens mag ik
hopen?
HET NUT VAN
PRETTIGE EIGENSCHAPPEN
Kamp Waterloo
bestaat uit een verzameling militaire barakken midden in de hei tussen Amersfoort en
Doorn. Ik was -als aanstaand dienstplichtige- opgeroepen voor een officierskeuring en
diende me op 14 mei 1965 om 09:00 uur aldaar aan de poort te vervoegen.
De dag bleek te
bestaan uit oefeningen van allerlei aard uit te voeren in groepjes van zes. Met touwen en
autobanden moest een kloof en een sloot worden overgestoken, er moest gezamenlijk een stad
worden ontworpen met behulp van speelgoedhuisjes, -boompjes en - beestjes en er moesten
maatschappelijke thema's bediscussieerd worden. Wat in die tijd als maatschappelijke
thema's werden gezien weet ik niet meer. Ik geloof dat ontwikkelingshulp toen erg in was,
maar het kan ook best over het nut van de Benelux gegaan zijn.
Het hoogtepunt
van de dag vond voor mij 's middags rond een uur of drie plaats. Het bestond uit een
gesprek met een kapitein-psycholoog. En eigenlijk uit een beschouwing die de kapitein aan
het eind van het onderhoud voorlegde.
"Over drie
weken krijg je de uitslag van de test. Je moet je voorbereiden op twee mogelijkheden. Of
je bent niet geschikt bevonden voor officier, of je bent wel geschikt bevonden. Als mocht
blijken dat je niet geschikt bevonden bent, bedenk dan dat het niet altijd de prettigste
eigenschappen zijn die maken dat iemand geschikt is voor het officiersschap..."
Met deze
militaire wijsheid troost ik managers die strategisch willen leren denken maar het niet
kunnen. Het zijn niet de prettigste eigenschappen die maken dat iemand een groot strateeg
is.
Amsterdam,1989-1992
Paul Valens
valens.nl