Home

HALF WERK

Nieuwsbrief OOA 1989

meesterlijk.jpg (23726 bytes)

 

Twintig jaar geleden ben ik in het organisatie-adviesvak verzeild geraakt.

Aanvankelijk tijdelijk, leek het, voor een jaar of vijf of zo.

Inmiddels lijkt het erop dat ik er niet meer uit zal komen,

wat overigens geen schrikbeeld is.

 

In het begin wilde ik mijn werk vooral goed doen,

en ook écht goed doen:

professioneel dus.

 

Ik wilde weten "hoe het moest",

maar vond daarbij maar beperkt houvast.

De tips die ik kreeg aangereikt waren niet goed te gebruiken,

en waar hulp nodig was moest ik vaak zelf het wiel uitvinden.

 

Deze zo op het eerste gehoor zo onvolkomen opleiding is voor mij de juiste geweest.

Ik zocht een opleiding tot expert en werd opgeleid tot amateur.

Tot een professionele amateur weliswaar,

maar toch...

 


IS HET ERG EEN AMATEUR TE ZIJN?

Een amateur is iemand die met een steen stokken in de grond slaat,

en vervolgens met vliegertouw en ijzerdraad een omheining maakt.

Hij gebruikt geen professioneel gereedschap,

verwerkt weinig professioneel materiaal,

en ordent zijn aktiviteiten niet routinematig.

 

Amateur zijn is leuk:

je voelt je een halve uitvinder,

en soms zelfs de overwinnaar van de natuur.

Grote vraagstukken worden vindingrijk overwonnen.

 

Het leven van een expert is heel wat saaier,

soms bijna computergestuurd.

Hij weet precies wat hij doet in welk geval,

met welke instrumenten en hoeveel tijd het zal gaan kosten.

Zelfs weet hij precies wanneer er een andere professional bij te halen.

 

Treinbestuurders, loodgieters en tandartsen worden door mij om deze reden beperkt benijd.

 


IS AMATEURISME ONS LOT?

In een beroep als dat van een tandarts ben je al gauw een vakman.

Bij een ingewikkeld beroep als dat van een schaker duurt het wat langer.

Persoonlijk denk ik dat organisatie-advieswerk tot de meer ingewikkelde beroepen behoort

waar ervaring, opleiding en routine slechts leiden tot een goede startpositie.

 

Vanuit die startpositie moet vervolgens helaas hoofdzakelijk als amateur worden opgetreden.

De problemen zijn nieuw evenals de situatie;

maar ook de maatschappelijke context is nieuw,

evenals de eigen mogelijkheden.

Nieuw in de zin van:

je kunt maar beperkt terugvallen op routine.

 

Oudere adviseurs noemden de in dit artikel bedoelde vorm van amateurisme wel eens "kunst".

Men sprak dan over de kunst van het adviseren.

Ikzelf vind dit woordgebruik niet erg bemoedigend voor jonge adviseurs.

Er klinkt iets in door van:

"je hebt het of je hebt het niet,

en ik heb het wel,

ik ben er nou eenmaal mee geboren,

maar daarom ben jij nog niet slecht".

 

Het leren een kunstenaar te zijn is moeilijker dan het leren een amateur te zijn:

iedereen voelt zich tenslotte een amateur,

en niet iedereen acht zichzelf een kunstenaar

(dat ieder mens een kunstenaar is,

als hij maar amateur durft te zijn,

laat ik hier even buiten beschouwing).

 


HALF WERK

Het beste uitgangsmateriaal voor een opleiding tot adviseur is een persoon met niet teveel,

maar ook niet te weinig zelfrespect en zelfvertrouwen.

Om deze basisgevoelens van respect en vertrouwen in stand te laten,

is het wenselijk dat de beginnende adviseur op zijn sterkste terrein wordt ingezet:

waar zijn ervaring ligt of waarin hij afgestudeerd is.

Dat is al moeilijk genoeg in het begin.

Waarom zou je het hem of haar onnodig moeilijker maken.

Het belangrijkste dat nu aangemoedigd dient te worden

is het in hoog tempo afleveren van onderhanden werk:

werk dat niet af is.

 

Half werk dus eigenlijk.

 

Het is belangrijk dat schetsen, impressies en gevoelens

snel expliciet worden gemaakt zodat er iets mee gedaan kan worden.

Deze anti-wetenschappelijke,

niet professionele werkwijze is de eerste stap op weg naar de professionele amateurstatus.

Je leert snel resultaten af te leveren die snel gewaardeerd worden

en zo een goede basis vormen voor een route op weg naar het adviesprodukt.

Het nadeel van volledig werk na lange tijd is

dat het leidt tot vereenzaming,

trauma's,

verkeerd werk dat te laat af is

en ook nog onvolledig blijkt te zijn.

 

Deze wijze van werken leidt ertoe

dat de aankomende adviseur steeds beter beslagen ten ijs wenst te komen,

om tenslotte in het geheel niet meer op het ijs te durven komen.

 

Nadat enige bedrevenheid is verkregen in het snel afleveren van half werk,

en in het overleggen daarover met de meer of anders ervaren collega,

dient te worden aangemoedigd dat de adviseur half werk met de client doorneemt.

 

Deze methode werkt als een krachtig tweezijdig zwaard:

zowel de adviseur groeit erdoor in zijn funktioneren,

alsook de client.

 

Naarmate de adviseur zich meer als expert gedraagt,

zal de client zich meer een amateur voelen of zich als contra-expert opstellen.

 

De adviseur die regelmatig half werk met de client bespreekt,

zal in ruil daarvoor werk van de client terugkrijgen

en zo bevorderen dat de client niet langer passief afwacht wat de adviseur voor hem bedenkt.

Het resultaat van snel open werk is derhalve

een aktieve client die even moedig wordt als de adviseur

die het durfde om met onvolkomen ideeen en zienswijzen voor de dag te komen.

 

En zoals wij allen weten is een aktieve client

een betere garantie voor een geslaagd projekt

dan een aktieve adviseur.

 


DE AMATEUR DOET HET NIETTEMIN

Elke praktijksituatie is gelukkig geschikt om te oefenen in het amateur-zijn:

je hebt nooit genoeg tijd, informatie, ervaring, of zekerheden

om 100% als vakman te werk te kunnen gaan.

 

Een goed opgeleide amateur heeft geleerd te leven met onvolkomen uitgangssituaties.

 

De echte expert kan je precies uitleggen waarom iets niet kan.

De amateur doet het niettemin toch!

 

Amsterdam ,1989

Paul Valens

 

 

 

Home