
Negen maanden na de bevrijding van Groningen ben ik daar in de Prof. Dr. J.C.
Kapteijnlaan geboren. Wat straatnamen betreft groeide ik op in een internationaal
academisch milieu. We speelden op het Bernouilliplein, hadden vriendjes in de
Oppenheimstraat en de Heijmanslaan. Temidden van dit geweld bleek Kapteijn later maar een
heel gewone jongen.
In de straat waren twee lagere en -kleuterscholen, maar wij moesten vijf kilometer
verderop naar de Ludgerusschool die bij onze H.Hartparochie hoorde. Een kilometer van ons
huis was ook een katholieke school, maar die was van de Franciscusparochie.
Op de kleuterschool leerde ik vooral stilzitten.
Op weg er naar toe en terug leerde ik het straatleven. Bladeren, beukennootjes,
eendjes, suikerbietentransporten en schaatsen in het plantsoen. De hoefsmid, het
politiebureau en J.B. Wolters Groningen/Jakarta uitgeverijen op de Korreweg en
in de Moesstraat.
De lagere school schonk mij Meester Niezen die met krijt Frescos kon
maken die ik nooit meer zo mooi heb terug gezien. Daarnaast werd mij een zielbeschadigende
leerervaring geschonken door Juffrouw Remkes die de tweede o in
Saloon wegstreepte uit mijn cowboytekening, omdat het natuurlijk
Salon moest zijn.

Enige tijd maakt ik deel uit van een jeugdbende rond een van huis weggelopen mooie
Indonesische jongen Theo Kras. Ik overweeg om mij alsnog hiervoor aan te geven, mede gelet
op de actuele integratieproblemen.
Frits Spinder en Jacques Jansen waren in de laatste klas veruit de beste leerlingen.
Zij konden helaas niet verder door naar een middelbare school omdat ze thuis mee moesten
helpen de armoede te dragelijk te houden. Met mijn middelmaat en al, en via een lichte
bouwfraude door mijn moeder, kwam ik wel bij de Jezuïeten in Helpman/Haren ten
zuiden van Groningen terecht.
De paters Albert Gerver, Felix van Voorst tot Voorst en Huub Oosterhuis openden
ongekende mogelijkheden voor mij. Hoewel in die tijd nog verre van gebruikelijk, vroegen
ze nooit: "Wat wil je worden?", maar: "Wat ga je studeren?" ! En dat
was ook de strategie van de Jezuïeten: het opkweken van een katholieke intelligentsia in
het Noorden.
Toneel, muziek, hockey en elke dag twee of vier keer zes kilometer fietsen brachten mij
echter al snel in contact met andersdenkenden. Hielke Pieksma van het Praediniusgymnasium,
waar strijkkwartet gespeeld werd op verjaardagen. Bij Juul Roscam Abbing thuis waar vader
dominee was en broer Ernst niet in God hoefde te geloven. Bij Annet Boerma thuis, waar
jongens kwamen die paarden hadden, en waar mijn moeder dan van zei dat het koude kak was.
En dan weer terug naar de Kapteijnlaan: vlak bij het Oosterpark waar op oudjaar
stoeptegels door de ruiten worden gegooid.
Intussen had mijn vader een winkel gekocht in de binnenstad. T.G. Jansen
Comestibles en Delicatessen, bh Koude Gat stond er op de vleeswarenzakjes. Mijn
vader en moeder kwamen beide uit Eindhoven, waar ze in 1938 allebei bij Philips ontslagen
waren. Tijdens ook zon recessie. Via via is mijn vader toen aan een baan als
boekhouder/directiesecretaris/adjunct-directeur geholpen bij Krafts
vleeswarenfabriek. Mijnheer Kraft overleed, de zaak werd verkocht en mijn vader stond met
11 kinderen op straat. Weer via via het katholieke netwerk in Groningen kon mijn vader
toen een winkel kopen. Van een weduwe die dat - tegen de wil van haar kinderen - voor een
te lage prijs deed. Om dit goed katholieke gezin te helpen.

Mijn vader was anders commercieel dan wat gewoonlijk daaronder verstaan wordt. Mede
daardoor nam mijn moeder langzaam maar zeker de zaak over. Mijn vader die zeven
jaar ouder was dan mijn moeder heeft zich op enig moment eervol gepensioneerd. En
zo hadden wij jarenlang een winkel waar alle 11 kinderen in mochten werken en van konden
leven en studeren.
Helaas had dat voordeel ook een nadeel. Onze winkel was namelijk een vrij typische
winkel waar o.a. veel klanten kwamen om aan hun positie in de lokale pikorde te werken.
Wij waren de enige zaak in Stad en Ommeland waar je toen (nog) fois gras truffel en
oesters kon krijgen. En daar gezien worden en door ons erkend te worden als vaste klant,
dat leek een aantal mensen wel wat. (Het lijkt wel een beetje op die certificerings- en
MBA-hype van nu, maar dan anders). Het nadeel voor mij persoonlijk is nu, dat ik daardoor
misschien te veel een toeschouwer geworden ben. Het was ook zo mooi om te zien en om naar
te luisteren! Heerlijk. Jammer eigenlijk.
Wat ik wilde studeren wist ik niet goed. Bankdirecteur had iemand eens
tegen mij gezegd. Burgemeester zei van Voorst eens. Ikzelf dacht meer aan
acteur of pianist of huisarts. Huisarts viel af omdat de vader van Jacques Drewes (onze)
huisarts was geweest en aan te hard werken was overleden. Acteur en pianist leek me
zakelijk onzeker, en daarom ben ik maar economie gaan doen. Eerst zien dat je werk hebt
had ik thuis wel geleerd. Een fatale keuze die uiteindelijk goed uit dreigt te pakken. Ik
ging - uit angst - iets doen wat me totaal niet interesseerde. En wat me in sterk
contactgestoorde milieus bracht. Gelukkig zakte ik meteen voor mijn propedeuse en moest ik
in dienst.
De dienstkeuring confronteerde mij keihard met de gemiddelde Nederlander. Die bleek er
in de wachtruimte heel anders uit te zien dan ik inmiddels dacht. En die sprak (of zweeg)
ook heel anders. Van Auke Hijlkema had ik gehoord dat je in dienst mee kon vliegen in
helikopters en dat dat Legerluchtwaarnemer heette. Desgevraagd meldde ik dus
mijn voorkeur voor die functie, waar ze op het keuringsbureau nog nooit van gehoord
hadden. In de basisopleiding bleef ik dat herhalen en kreeg ik er zelfs een zekere
bekendheid door: die jongen die Legerluchtwaarnemer wil worden. Toen een maand
later onverwacht een plaats hiervoor vrij kwam, stuurden ze mij er direct heen.
(wordt vervolgd, gewijzigd en uitgebreid)
Amsterdam, 2003 / 2007
Paul Valens